#DeactiDay, en het onafhankelijke web

Een aantal min of meer bekende tweeps – en dan bedoel ik niet de Kardashians of Trumps, maar lui die er in het prille begin al bij waren – hebben vandaag uitgeroepen tot #DeactiDay.

Jack

Uit protest tegen het beleid van Twitterbaas Jack Dorsey deactiveren leden minstens tijdelijk en eventueel definitief hun account.

Populaire accounts die meer dan eens de Twitterregels met de voeten treedden, zo luidt het, houdt het platform een hand boven het hoofd. En daartegen wordt nu geprotesteerd.

Zelf vind ik het initiatief om een andere reden interessant. (De Twitterregels kunnen me, samen met Twitters verdienmodel en Twitter zelf, behoorlijk gestolen worden.)

Ik vergeleek recent Twitter met je oude favoriete kroeg, die helaas heel wat van z’n charme is kwijtgeraakt nadat een heel ander publiek er de boel heeft overgenomen – of liever, er de boel is gaan overstemmen.

In zo’n geval is daar simpelweg wegblijven – zélfs al kun je ook negeren, ontvolgen en blokkeren – een legitieme keuze.

Mastodon

Er bestaat zelfs een onmiddellijk – nou, ja – alternatief: Mastodon. Ik schreef er – in een drietal tweets die ik hier zo goed en zo slecht als dat gaat overneem – het volgende over:

Ik ben zonet eens op Mastodon wezen kijken. De vergetelheid it is. #DeactiDay

Dan bestaat er ’n alternatief, door vrijwilligers, waarvan de broncode door iedereen kan worden ingezien, dat zich je content niet toe-eigent, waar je géén reclamelui, dieetgoeroes of politici terugvindt, geen Duk, Eppink of Doornaert, EN DAN LAAT IEDEREEN DAT LINKS LIGGEN.

Ge zijt elkander waard.

Ik vat samen: interessant – geen De Ceulaer! – maar (nog) saai.

Het Indieweb

Een ander alternatief is het zogenaamde Indieweb, niet meer of minder dan volwaardige blogs die onderling communiceren aan de hand van o.a. webmentions (cf. de oudere Pingbacks).

Bloggers hebben als vanouds de volledige controle over inhoud en vorm, en kunnen dankzij die technologie (i.e. webmentions) eenvoudig reageren op berichten van andere bloggers (zonder ook daadwerkelijk op elkaars website te moeten reageren).

Het contrast met Facebook en Twitter, die bijvoorbeeld vakkundig RSS – waardoor je ook buiten die platformen om iemands feed kunt bekijken – de nek omwrongen, kan bijna niet groter zijn.

‘In de strijd tegen nepnieuws’ en na de recente schandalen heeft trouwens Facebook ook z’n API zo’n beetje geheel dichtgetimmerd en is het voor apps (en sites) van derden onmogelijk nog naar het platform te posten.

Update (19/8/’18): ook Twitter voert wijzigingen aan z’n API door die het gebruikers van 3rd-party clients langzaam maar zeker flink lastiger maken.

Conclusie

Idealiter – afijn, mocht zulks je ding zijn1 – promoot je weliswaar je content op de populaire sociaalnetwerksites, maar vertrek je steeds van je eigen platform, alwaar je eventuele reacties ook weer vergaart. Zo zit je safe, ook wanneer Twitter ooit, MySpace achterna, richting digitale jachtvelden vertrekt.

  1. Zelf ben ik geen fan van publicaties die voor driekwart uit advertenties bestaan.